TIM KRABBÉ
Het wereldkampioenschap dammen in Hengelo

Overzicht van de winnaars van het wereldkampioenschap dammen. 1934-1945: Raichenbach (Frankrijk) 1945-1948: Ghestem (Frankrijk) 1948-1956: Roozenburg (Nederland) 1956-1958: Deslauriers (Canada) 1958-1960: Koeperman (USSR) 1960-1961: Tsjegolef (USSR) 1961-1964: Koeperman (USSR) 1964-1965: Tsjegolef (USSR) 1965-1968: Koeperman (USSR) 1968- : Andrelko (USSR)
Het dammen kent tegenwoordig een vierjarige cyclus voor wat betreft de strijd om het wereldkampioenschap. Eens in de vier jaar wordt de wereldkampioen direct per toernooi bepaald, zoals nu in Hengelo. In het daarop volgende jaar is er eventueel een match tussen de vorige wereldkampioen en de ‘toernooiwereldkampioen’. Het jaar daarna vindt de ‘Challenge Mondial’ plaats, waarvan de winnaar een match tegen de wereldkampioen mag spelen, een match die weer een jaar later plaats vindt. Weer een jaar later komt het volgende toernooi om het wereldkampioenschap.
In het toernooi in Hengelo worden geen startgelden betaald. Er zijn vijf prijzen, aflopend van 3500 gulden voor de winnaar tot 500 gulden voor no. 5. Eindigen twee spelers gelijk op de eerste plaats, dan spelen zij een beslissingsmatch van minstens twaalf partijen om de titel, in principe in Nederland. Eindigen meer spelers op de eerste plaats, dan moet de FMJD (de internationale dambond) een nadere beslissing over de herkamp nemen.
"EEN VERVELEND verschijnsel bij alle sporten is, dat er veel mensen zijn die een verrichte prestatie niet zien als een gevolg van een zuiver persoonlijk kunnen, maar als uitvloeisel van een veronderstelde nationale superioriteit, van de waarde van een politiek systeem zelfs. Onder andere de Russen hebben er nooit twijfel over laten bestaan dat de overwinningen van hun sportlieden, al kwamen die tot stand in nog zo individuele takken van sport, toch eerder moesten worden gezien als collectieve prestaties van een volk. In zekere zin is dat ook juist; in bv. Rusland worden talentvolle beoefenaars van niet-commerciele takken van sport (schaken, dammen, e.d.) in staat gesteld hun talenten te ontplooien, in bv. Amerika niet.
Voor wat betreft schaken en dammen hebben de Russen zeer lang op hun superioriteit kunnen wijzen, eenvoudig omdat die er was. De wereldtitel in het dammen hebben ze al sinds 1958 in hun bezit (Koeperman, Tsjegolef, Andreiko), en met het schaken gaat dat nog verder terug, tot 1948 (Botwinnik, Smyslow, Tal, Petrosjan, Spasski), of zo men wil tot 1937, toen Aljechin de tot op heden laatste niet-Rus (Euwe) in hun revanche-match versloeg, al zou Aljechins wereldkampioenschap eerder kunnen worden opgevat als een bewijs van de superioriteit van de anti-sovjet-mens, want Aljechin was al kort na de revolutie zijn geboorteland ontvlucht en bracht het grootste gedeelte van WO II in Duitsland en Spanje door. Maar de Russen hebben hem, na zijn dood in 1946, posthuum, geheel ongevraagd, en nog minder ergens op slaand, toch nog tot typische sovjetmens verklaard.
Enfin, 1972, Hengelo, Reykjavik; er zal voor sommige Russen heel wat uit te leggen zjjn als er gebeurt wat velen verwachten, dat dit jaar de wereldtitels in het schaken en dammen worden overgenomen door vertegenwoordigers van het Westen, door Fischer en door Sjjbrands of Wlersma.
Op Hemelvaartsdag was ik in Hengelo, waar toen de achtste ronde van het wereldkampioenschap dammen werd gespeeld; hoeveel wereldkampioenen heb ik daar zien rondlopen? In leder geval Piet Roozenburg, lid van het organisatie-comité en de deelnemers Marcel Deslauriers, Iser Koeperman en Andris Andreiko, maar waarschijnlijk waren het er meer, want van Sijbrands, Wlersma en Gantwarg zullen er In de toekomst toch ook wel minstens twee wereldkampioen worden.
Tsjegolef was er niet, die is in Rusland overvleugeld door de genoemde drie, en le overige twee nog levende ex-wereldcampioenen, Ghestem en Raichenbach, wee Fransen, waren er evenmin. Die zijn jeiden, kort na het verliezen van hun vereldtitel, en nog op zeer jeugdige leefijd, helemaal met dammen opgehouden.
Vorig jaar Pasen reed ik met Ton Sijrands door Frankrijk, op weg naar het Zuiden, waar we allebei moesten zijn. Ton begon over Raichenbach en Ghestem te jraten. De een was nu bankdirecteur, de mder fabriceerde kazen, ze speelden alebei het spel niet meer, dat was toch zerschrikkelijk. Hoe kon iemand zomaar net dammen ophouden? Goed, ze waren illebei waarschijnlijk tot het inzicht gekomen dat ze er niet genoeg geld mee ronden verdienen en trouwens, Ghestem vas blijven spelen, zij het dan het bridgespel, waarin hij óók wereldkampioen was geworden. (In de damwereld vertelt men lat hij ook schaakkampioen van NoordFrankrijk was.) Maar nu maakte hij aleen nog maar kazen.
Ton besloot dat hij het hem zelf moest ;aan vragen, vandaag nog. Maar omdat ir geen tijd meer was om een koerscorrectie aan te brengen die ons door Ghessem's woonplaats Lille zou voeren (en dan radden we het vroegere dam-genie daar sok nog moeten vinden), bedacht Ton dat lij later een bedevaart door Frankrijk zou naken, hij zou naar Lille gaan, en naar Raichenbach in Parijs, hij zou ze vragen waarom ze niet meer damden, en vervolgens zou hij zorgen dat ze naar Nederland cwamen waar ze met andere oudgedienden een toernooi zouden spelen.
Remise-dood
Sjjbrands behoort tot de grootmeesters die het meest hartstochteljjk van het damspel houden. Hij verfoeit collega’s die zich uitsluitend voor de resultaten van hun spel en nauwelijks voor de inhoud ervan Interesseren. ‘Spelers als Andrelko en Koeperman zou de toegang tot de speelzaal moeten worden ontzegd,’ zegt hjj (glimlachend), als antwoord op mijn vraag of hij, o.a. gezien de beruchte 20remises-match tussen Andrelko en Koeperman, niet bang is dat het damspel binnen enkele tientallen jaren de remisedood zou kunnen sterven. Ik zeg: ‘Er zijn vijf topspelers die ternauwernood ooit van elkaar kunnen winnen, ben je niet bang dat er over twintig jaar misschien twintig van die spelers zijn die te sterk zijn voor elkaar?’
Sijbrands: ‘Ik geloof het niet, er zullen altijd wel mogelijkheden blijven om spel te ontketenen, maar als het toch zo is, dan moeten we er mee ophouden en iets anders gaan doen. Een boek lezen bijvoorbeeld.’
‘Roozenburg zegt dat het misschien aanbeveling verdient om de spelregels zo te wijzigen dat de remise-marge kleiner wordt.’
S.: ‘Nee, je moet de spelregels niet wijzigen, het spel moet zo blijven.’
‘Dus jij vindt dat het damspel een door God gegeven eenheid is waaraan niet meer getornd mag worden?’
S.: ‘Zo kan je het zeggen.’
Maar het feit bestaat dat de remise-marge in het damspel zeer groot is, zodat het maar heel zelden voorkomt dat de ene topgrootmeester van de andere wint. Die marge wordt vooral veroorzaakt door dat het eindspel van drie dammen tegen één dam niet te winnen is, behoudens uitzonderingen. Men heeft daar ook in het verleden wat aan trachten te doen, zo ontstond in de twintiger en dertiger jaren het ‘Hoogland-systeem’, genoemd naar de vroegere Nederlandse wereldkampioen, waarbij dammen elkaar ook horizontaal en verticaal konden slaan.
Dubbel kronen
Roozenburg vertelt over de emotionele uiteenzettingen waarmee dergelijke voorstellen gepaard gingen, zaken die hij nu wil vermijden. ‘We zijn nu alleen bezig met interne studie-suggesties, die nog niet op de praktijk zijn gericht. Maar we zijn ervan overtuigd dat het nuttig is er in principe aandacht aan te besteden, om deze dingen in een zakelijke sfeer door te spreken. Het idee dat mij het meeste aanspreekt is het dubbel kronen van de tweede dam.’ Roozenburg doet dit voor, schuift een schijf naar de damlijn, en maakt er daarna een torentje van vier schijven van.
Dit blijken twee op elkaar staande dammen te zijn, want daarna neemt hij de helft van het stapeltje, die als dam ergens heen wordt gezet, terwijl het onderste tweestel eveneens blijft staan: dat is ook een dam.
‘Wie hoort er volgens u wereldkampioen te worden?’
R.: ‘Gantwarg, tenminste, gezien het spel dat in dit toernooi tot nu toe vertoond is.’
‘En gezien het spel dat de verschillende kanshebbers in hun hele carrière tot nu toe vertoond hebben?’
R.: ‘Wlersma, naar hem gaat mijn sympathie als dammer uit. Harm heeft jarenlang in de schaduw van Ton geleefd, maar hij weet nu evenveel, hij staat niet bij hem ten achter. Een paar jaar geleden heb ik al eens geschreven dat ik meer in hem zag dan in Ton, toen deed ik dat om Ton wat op te jutten, om er toe bij te dragen dat hij feller geconcentreerd zou raken op het halen van punten. Nu zeg ik het niet meer om die reden, maar gewoon omdat ik het meen. Maar Harm speelt in dit toernooi enigszins oppervlakkig, hij heeft een paar fouten gemaakt die niet zijn afgestraft.’ En als voorbeeld demonstreert Roozenburg mij Wiersma’s zo juist afgelopen wlnstpartij tegen Delhom, die hij weliswaar zeer snel won, maar waarin hij een eerdere mogelijkheid tot winst over het hoofd zag.
Wiersma zelf is over die partij ook niet al te zeer te spreken. ‘Ik speel dit toernooi helemaal nogal oppervlakkig. Ik denk van een zet te vlug dat het wel goed zal zijn, en dan speel ik hem maar.’ De beslissende zet tegen Delhom ontdekte hij niet op logische wijze; hij dacht ineens ‘verhip, dat is een sterk zetje’, en toen hij goed keek bleek het zelfs de winnende zet te zjjn.
‘Wanneer begon je in de gaten te krijgen dat je wel eens wereldkampioen zou kunnen worden?’
Wiersma: ‘O, daar heb ik eigenlijk pas vanaf vorig jaar aan gedacht, daarvoor had ik me nooit zo voor die titel geïnteresseerd. En nu ook: eigenlijk Interesseert me het wereldkampioenschap niet, omdat het niets bewijst. Het bewijst alleen maar dat je een bepaalde wedstrijd hebt gewonnen, maar niet direct dat je een groter speler bent dan de anderen. Maar ik besef dat het dat voor het publiek wel bewijst. Keiler en Roozenburg waren allebei zeer grote spelers, maar Roozenburg zegt het publiek veel meer, omdat hij wereldkampioen is geweest. Natuurlijk zou ik beter kunnen zeggen dat de titel me niet interesseerde als ik hem had, maar toch is het zo dat ik er nu zo over denk. Dat ik die titel zou kunnen halen zegt me wel iets, maar dat die titel bestaat, niet. Ik vind het eigenlijk onzin om een wereldkampioen te hebben. Het willen hebben van een wereldkampioen duidt op een kapitalistische instelling bij degenen die dat willen. Ik wil alleen maar duidelijk maken dat ik voor niemand onder hoef te doen.’
‘Heeft het spel je voldoende te bieden om je je leven lang bezig te houden?’
W.: ‘Jawel, maar er zijn dingen die je bij moet houden, die je onder eigen dwang moet bestuderen, dingen waar je je niet vanzelf mee bezig zou houden. En ik studeer nu Inderdaad op dammen, het studeren wat ik aan de universiteit in Groningen doe is wel tussen haakjes.’
We hebben het ook over de verschillende zeer zwakke deelnemers aan het toernooi, in de eerste plaats Janecek en Agliardi.
Het verschil tussen hen en iemand als Wiersma is onmeteljjk; toch miste Wiersma al vier jaar geleden een zeer goede kans op het wereldkampioenschap toen hij bij het vorige toernooi om het wereldkampioenschap in Bolzano door een andere Tsjech, Reimann, op remise gehouden werd, het eerste en enige internationale succes dat deze speler ooit bereikte. Agliardi, een kleine donkere veertiger uit Monaco, is al jaren een habitué op toernooien met spelers die veel te sterk voor hem zijn, maar sinds er wat nieuwe nationaliteiten aan deze wedstrijden meedoen, wordt hij niet meer allerlaatste. Wiersma vertelt hoe Agliardi hem verbaasde door zijn handtekening te vragen; hij hield hem zelfs een eigen ballpoint voor. Het waarom bleek toen Wiersma die handtekening daadwerkelijk wilde zetten: de ballpoint stond onder stroom, een truc waarmee Agliardi nog vele malen succes schijnt te hebben gehad. Overigens: de dag waarop ik met hem praatte, was een zeer succesvolle voor Wiersma geweest, zelf had hij van Delhom gewonnen, terwijl Sijbrands en Gantwarg tegen respectievelijk Baba Sy en Deslauriers niet verder waren gekomen dan remise. (Deslauriers is een 67-jarige vrolijke Canadees, ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid waarin ik hem een grap kon horen vertellen. Het publiek werd gevormd door Hisard, Agliardi en Baba Sy, Deslauriers vertelde: ‘Twee mannen zitten te dammen aan één dambord waarop geeneen damschijf meer staat. Toch voert een der mannen een beslissende slag uit. Hoe kan dat? Antwoord: hij pakt het dambord op en geeft de andere een reusachtige klap op zijn kop.’ Deslauriers lacht hoog en blatend, hinnikt werkelijk van het lachen.) Om terug te komen op Wiersma, de volgende dag was even desastreus voor hem als de vorige succesvol was geweest; Andreiko won notabene van Koeperman, iets waartoe hij twintig achtereenvolgende malen toen er geen buitenlanders bij betrokken waren, niet in staat was gebleken (de dag vóór die partij hoorde ik reeds deskundigen gissingen maken of Andrelko en Koeperman zo schaamteloos zouden durven zijn, maar je moet natuurlijk oppassen; er is altijd de mogelijkheid dat Andrelko gewoon heeft gewonnen), en Wiersma verspeelde een vol punt door niet van de zwakke Fanelli te kunnen winnen. Wat dat aangaat: alle sterk geïnteresseerde toeschouwers houden tabellen bij die er anders uitzien dan de normale toernooltabel, omdat je aan de laatste niet kan zien hoe de spelers er relatief voor staan. Men stelt ingewikkelde schema’s op waaraan de spelers moeten voldoen om kampioen te worden (volgens Roozenburg zal 26 punten voldoende zijn voor een gedeelde eerste plaats en 27 voor een ongedeelde), en bekijkt van ronde tot ronde in welke mate de spelers aan dat schema hebben voldaan. Hoe doen onze favorieten dat nu zélf?
Wiersma: ‘Ik bekijk gewoon per ronde hoe ik er voor sta, geen speciale berekeningen.’
Sijbrands: ‘Ik hou de stand niet bij. Ik probeer gewoon iedere partij zo goed mogelijk te spelen. Ik ben ook niet speciaal gespannen, ik speel altijd voor 100 pet.’
Blindspel
Dammen, dat moest eigenlijk maar eens gezegd worden, is een even schitterend en fascinerend spel als schaken, en misschien nog wel meer ook, omdat de schittering hier met uniforme middelen is opgeroepen. Dat heeft het damspel gemeen met het go-spel, maar niet met het schaken, want dat kent een groot aantal regels, waarvan er enkele (de paardensprong, het rokeren, het recht van de pionnen om in de beginstand twee vooruit te gaan) zonder meer arbitrair kunnen worden genoemd. Het is onzin te beweren, zoals je vaak hoort, dat dammen makkelijker is dan schaken. Die uniformiteit maakt het in sommige opzichten juist moeïlijker, zoals o.a. blijkt uit de relatieve moeilijkheid van het blindspel. Bij schaken heeft men 63 partijen blind simultaan gehaald (de Hongaar Flesch), bij dammen Is men voorlopig bij 8 blijven steken (Huisman; Sijbrands heeft het ook eens gedaan, maar mét de partij-notities erbij, wat makkelijker is).
Waarschijnlijk worden velen die denken dat dammen makkelijker is in de war gebracht door het feit dat dammen matematisch gezien veel minder mogelijkheden biedt dan schaken. Het totaal aantal mogelijke stellingen is zowel bij het schaken als bij het dammen astronomisch, maar hoe onvoorstelbaar groot het laatste getal ook mag zjjn, vergeleken bij het eerste is het te verwaarlozen. Maar de grap is dat dat natuurlijk helemaal niet terzake doet, want beide spelen zijn voor mensen veel te moeilijk. Zeggen dat schaken moeïlijker is dan dammen is even dom als zeggen dat je, als je sterft van dorst, meer hebt aan een zee van water dan aan de Sloterplas.
Als je echter aanneemt dat de mens in de toekomst steeds intelligenter zal worden, dat zijn intelligentie de perfectie zal benaderen dan zal inderdaad eerst het damspel, en pas later het schaakspel er aan moeten geloven. Ik begrijp dan ook niet waarom al die denk-onderzoekers hun computers het schaakspel trachten bij te brengen, inplaats van het damspel.
Staat het damspel dus wat betreft moeilijkheid, schoonheid en ook verslavende werking niet bij het schaken ten achter, wat betreft de mate van organisatie doet het dat zeker. Hoewel dammen altijd nog veel internationaler is dan bv. het in Nederland met zoveel belangstelling omgeven schaatsen (een vreemde vorm van hardlopen die slechts in enkele landen beoefend wordt), is het geen werkelijk internationale sport, zoals bijvoorbeeld voetballen of schaken. Juist het feit dat ook schaken een sport is die over de hele wereld beoefend wordt is vervelend voor dammen, omdat beide spelen begrijpelijkerwijs vaak worden vergeleken.
Andere regels
De belangrijkste onvolkomendheid in de damorganisatie is het feit dat men in verschillende landen volgens verschillende spelregels speelt. In Rusland speelt men behalve op de 100 ook op de 64 ruiten, terwijl de regels niet exact dezelfde zijn.
In Engelssprekende landen, o.a. in Amerika speelt men ook op 64 ruiten, maar weer met andere regels. (Carl ‘Buster’ Smith, de Amerikaanse deelnemer in Hengelo vertelde dat er maar twee of drie theorieboeken over dat spel bestaan; voor verdere kennis is hij aangewezen op Russische boeken, die dus een spel beschrijven dat anders gereglementeerd is dan het spel dat hij wil bestuderen). In Canada speelt men op 144 ruiten, terwijl in allerlei andere landen nog verschillende regel-stelsels in zwang zijn. Soms mogen schijven een dam niet slaan, mogen schijven niet achteruit slaan, gaat meerslag niet voor, gaat damslag wél voor, moet de dam achter de laatst geslagen schijf onmiddellijk stoppen, mag men ‘blazen’, mag de dam maar één veld tegelijk in alle richtingen, worden de te spelen eerste zetten uitgeloot, kortom, een ontzettende chaos. Het enige werkelijk internationale spel is dat op de 100 ruiten, zoals het overal in Nederland, en nu in Hengelo wordt gespeeld.
Sijbrands: „Ik probeer gewoon iedere partij zo goed mogelijk te spelen.”
Andreiko - niet gekomen om te dammen, alleen om te winnen?
Maar veel spelers die aan het wereldkampioenschap meedoen, zijn hun damcarrière begonnen volgens andere spelregels. Bijna alle internationaal bekende Russische dammers zijn begonnen op de 64 ruiten, ook bij Smith was dat zo; hij damt al meer dan 30 jaar, maar pas enkele jaren geleden werd hij door d? bekende Haïtiaanse speler Saint Fort ingewijd in het 100-ruiten spel. (Smith is een neger, Saint Fort ook, in het algemeen is het een zeer merkwaardig verschijnsel dat zoveel negers bij de internationale damtop horen. Dat is het enige punt waarop dammen meer geïnternationaliseerd is dan schaken; in Senegal (Baba Sy, Kouatél), Zambia, Haïti, en zeker ook Suriname wordt veel en goed gedamd; die landen zijn bronnen van spelvernuft die door het schaken nog nauwelijks zijn aangeboord. En trouwens, het is niet alleen een internationaal verschijnsel; op damclubs in
Een ander voorbeeld is Deslauriers, die in 1952 voor het eerst een 100 ruitentoernooi speelde. Dat was in Nederland, het wereldkampioenschap. Het was kennelijk nog even wennen, want hjj werd slechts negende, maar vier jaar later had hij zijn achterstand ingehaald, en toen werd hij zelfs wereldkampioen.
De heer Jurg, secretaris van het succesvolle organisatie-comité (in het leven geroepen door de “Damstlchtlng Twente’, die zich ten doel heeft gesteld grote toernooien naar die streek te halen), vertelt dat hij onlangs werd opgebeld door iemand van de Duitse radio, die uit publikaties had vernomen dat in Hengelo het wereldkampioenschap ‘Damespiel’ werd gehouden, en of hij maar even uit wou leggen wat dat voor iets was. Hij hoorde niets meer van ze. Er komt veel publiek kijken in de zaal in het Concertgebouw, op Hemelvaartsdag waren het er 600, waarvan velen de interessantste partijen aan het oog onttrekken door hagen voor de betreffende borden te vormen. Maar het is zeer rustig in de zaal; de enige moeilijkheid was tot nu toe dat het publiek enkele malen geapplaudisseerd heeft.
Jurg: ‘De eerste maal was dat toen Aliar remise gespeeld had tegen Andreiko. Dat applaus werd toen begonnen door de begeleider van Aliar, Adjiedj, en dat is zelf ook een speler, dus die had kunnen weten dat je zoiets niet moet doen, het haalt de andere spelers uit hun concentratie. Koeperman heeft een artikel in een Overijsels dagblad geschreven waarin hij dat veroordeelde.
(Koeperman schreef o.a.: ‘Het applaudisseren van de toeschouwers zoals hier enige malen is gebeurd, is in Rusland niet toegestaan en onmogelijk’.)
Maar het was wel vreemd dat hij de volgende dag, toen Andreiko gewonnen had, zélf is begonnen met applaudiseren.’
Terwijl we zitten te praten komt er een geagiteerd iemand binnenrennen. ‘De straat is helemaal afgezet door politie, er komt misschien hoog bezoek, het Koninklijk Huis misschien.’ Het blijkt echter loos alarm. Maar sinds Claus het toernooi heeft geopend, staat men in Hengelo voor niets meer.
Tot en met maandag 22 mei (tweede pinksterdag) wordt er in Hengelo gespeeld, behalve op zondag. De ronde begint iedere middag om een uur. In de laatste ronde speelt Sijbrands tegen Andreiko. Zeker is dat het toernooi tot de laatste dag spannend zal blijven. Volgens mijn nauwkeurig bijgehouden, ingewikkelde schema zullen Sijbrands en Andreiko met 26 punten eindigen, Wiersma en Gantwarg met 25. Maar het leukste zou het natuurlijk zijn als Sijbrands en Wiersma een beslissingsmatch om het wereldkampioenschap tegen elkaar moesten spelen.
Vrij Nederland. Geraadpleegd op Delpher op 01-02-2026, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBVRNL01:252307020:00001